verslag de thermometer 20
Zaal de Unie, 11 april 2006
De Thermometer


Gemeenschapszin in nieuwe tijden

Debat over de gelijkgestemdheid onder burgers thuis, op straat, in de stad en in het land

Met: Henca Maduro, urban-culture deskundige en jongerenwerker; GabriŽl van den Brink, sociaal-filosoof, auteur 'Culturele Contrasten'; Thomas Schillemans, senior-adviseur Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) en mede-auteur 'Niet langer met de ruggen naar elkaar'; Harlow Brammerloo, beoogd voorzitter (PvdA) deelgemeente Noord, Rotterdam; Justus Uitermark, socioloog en mede-auteur 'Ruimte maken voor straatburgerschap'; Ehab El Amam, voorzitter van de Islamitische Studentenvereniging IBN FIRNAS
Gesprekleider: Jeroen Visser

Het is een wat ouderwets woord: gemeenschapszin, maar de betekenis ervan is actueler dan ooit. In een samenleving met verschillende culturen die tevens sterk geÔndividualiseerd is, lijkt het gemeenschappelijke belang zoek. Maar is dat zo? Is de gemeenschapszin onder Marokkanen en Turken juist niet heel sterk? "Ja, maar die gemeenschapszin moeten we niet willen," aldus een van de sprekers. Een debat over verschillende gemeenschappen, uiteenlopende belangen en de toekomstige ontwikkelingen.

In de week van dit debat, stond in De Groene Amsterdammer een interview met Heinz Buschkowsky, burgemeester van de Berlijnse wijk NeukŲlln. Het is een deels bekend en deels opzienbarend verhaal dat door de journalist (Rob savelberg) wordt opgetekend uit de mond van de sociaal democraat. De aanleiding van het gesprek zijn de problemen met jongeren op een school, de Rutli Hauptschule (een Duitse 'vmbo'). Deze zijn zo hevig dat de schoolleiding een brandbrief naar het gemeentebestuur heeft gestuurd waarin het voorstelt de school te sluiten. De docenten zijn gezwicht voor het verbale en fysieke geweld van de leerlingen. Die leerlingen zijn voornamelijk allochtoon.
De burgemeester schetst de achtergrond van deze kwestie die geen incident blijkt: Der Spiegel meldt dat op dertig andere Berlijnse scholen de situatie vergelijkbaar is. Buschkowsky gaat in op de situatie in de wijken. Er zijn Parallelgesellschaften ontstaan. Mensen leven op elkaar, zegt hij, maar desondanks ook volledig langs elkaar heen. "In de jaren zestig dachten politici dat de gastarbeiders wel weer zouden vertrekken. Anderen dachten dat het allemaal wel goed zou mengen," zegt hij. Nu is er een samenleving ontstaan waarbij een Turkse moeder die al dertig jaar hier woont, de taal niet machtig is. Dat was niet nodig in de fabriek, niet in de moskee, niet thuis en ook niet bij het boodschappen doen. Daar werd steeds Turks gesproken. Hij concludeert dat de rellen in Parijse voorsteden van ontevreden allochtone jongeren ook in Berlijn, Brussel of Parijs kunnen losbarsten. "De sociaal economische achterstelling van allochtone jongeren is een Europees fenomeen."
Het isolement, het langs elkaar heen leven, het niet betrokken voelen bij de samenleving, niet geaccepteerd worden door diezelfde samenleving; het zijn kwesties die vanavond in Rotterdam ook aan bod komen in het debat over gemeenschapszin.
Het woord doet archaÔsch aan, maar toch is het belang ervan duidelijk als je dit soort berichten leest. De omschrijving luidt: betrokkenheid tussen mensen en met de samenleving waarin je leeft en de wil je daarvoor in te zetten om deze leefbaar te maken.
Thomas Schillemans van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkelingen is van mening dat het met die gemeenschapszin in Nederland niet zo slecht gesteld is. Hij zegt: "Je moet echter niet meer denken aan een dorpsgemeenschap waarbij we allemaal op elkaar zijn aangewezen en waarbij we onmiskenbaar onderdeel van vormen. We hebben geen Asterix en Obelix-dorp meer! De huidige samenleving heeft een overmaat aan gemeenschappen en de vraag is of die verschillende gemeenschappen wel raakvlakken hebben. Passen ze bij elkaar, kun je lid zijn van meerdere gemeenschappen." 
Schillemans wijst er dus op dat in de huidige samenleving je deel uitmaakt van verschillende samenlevingen: zo is er bijvoorbeeld de familie, je vrienden, je school, je werk. Hij zegt verder dat deelname aan sommige gemeenschappen deelname aan andere uitsluit. Het rapport dat hij mede schreef ('Niet langer met de ruggen naar elkaar') acht het dan ook niet zinvol aan te dringen op meer gemeenschapszin ('voel u meer verbonden met uw buurman', 'wat doe jij voor de stad?'), maar de nadruk te leggen op praktische zaken. Schillemans: "Het heeft meer zin als mensen samen dingen gaan doen. Daarna leren ze elkaar wel kennen en krijgen ze betrokkenheid." Welzijnswerkers hebben daar ook een grote rol in, meent de RMO in zijn advies.
De tendens is namelijk dat interetnische contacten afnemen en dat het beeld dat autochtonen en allochtonen van elkaar hebben, weinig positief is. De RMO meent daarom dat we moeten stoppen de verschillen te benadrukken en ons meer moeten richten op overeenkomsten.
GabriŽl van den Brink deed ook onderzoek en wel onder Rotterdamse migranten. Hij schreef met 'Culturele Contrasten' een zorgelijk boek waarin hij constateert dat er wel degelijk sterke gemeenschapszin heerst, maar dan alleen bij de nieuwkomers. En juist dat soort gemeenschapszin kan problematisch uitpakken voor de Nederlandse samenleving. Van den Brink: "De vraag is: in wat voor gemeenschap hebben we zin? Het verlangen naar gemeenschap is eeuwig. De mens is niet geschapen om alleen te zijn. Je hebt anderen nodig, maar welke vorm willen we?" 
Hij noemt het voorbeeld van wijken van vroeger, volkswijken, die geborgenheid boden. "Dat is voorbij, maar die behoefte van gemeenschapszin bestaat nog, maar die heeft geen betrekking meer op de wijk."
De individualisering heeft die banden gesloopt, meent Van den Brink. Hij vervolgt: "Daarbij heeft de etnicering van de stad dus wel voor nieuwe gemeenschappen gezorgd (Turkse, Marokkaanse), maar dat is niet het soort gemeenschap die je bij het moderne leven graag hebt. Dat is dorpsleven midden in een metropool." 
Waar hij wel voor pleit is een binding die niet voortkomt uit etniciteit, maar zich meer richt op iets gemeenschappelijks: "Inzet voor een leefbare stad bijvoorbeeld."
Justus Uitermark is socioloog. Hij zegt: "Een stad kent niet een gemeenschap. Je bent als persoon ook al onderdeel van meerdere groepen. Gemeenschapszin veronderstelt een loyaliteit die boven het eigen belang uitstijgt." Hoe het ermee gesteld is in Rotterdam? Uitermark: "Wat je ziet is dat veel gezinnen met de rug naar de buurt leven. Thuis is alles schoon en netjes, maar de straat is verloederd. De gemeenschap reikt niet verder dan tot de voordeur. De publieke ruimte is het domein van asocialen."
Toch is een klein duwtje in de rug vaak voldoende om ook die nette mensen bij de buurt te betrekken, meent hij. Uitermark: "Het begint met een klein groepje dat zich voor de buurt gaat inzetten. Door die inzet zien andere buurtbewoners verbetering. Je krijgt dan het gevoel dat je op elkaar kunt vertrouwen. Een dorpscultuur zal het niet worden, maar dat is dan ook geen haalbare kaart in een metropool."
Formeel is het nog niet, maar met enige voorzichtigheid kan Harlow Brammerloo zich wel voorzitter ('burgemeester van een groot dorp') van Noord noemen. De PvdA-politicus noemt zich, temidden van de wetenschappers, een man van de praktijk. Brammerloo met zijn visie op de hedendaagse gemeenschapszin: "Ik baseer me op wat ik op de straat zie." En wat hij dan ziet is het volgende: "De gemeenschappelijkheid binnen etnische groepen is sterk, ook leidt die wel degelijk tot acties, maar die zijn niet altijd zichtbaar. Iedereen wil een veilige wijk. Dat bindt mensen, maar een beperkte groep zet zich er voor in. De rest consumeert van die inzet. Zo gaat dat al heel lang. Ook in die dorpen waar over gesproken wordt, was een selecte groep actief. Alleen nu is het fragmentarischer. Dat moet je accepteren."
Verontrustend vindt hij het echter dat 'het gemeenschappelijke onder druk komt te staan.' De oorzaak zoekt Brammerloo in de nadruk op de onderlinge verschillen. "Het wij-zij denken wordt teveel benadrukt. Zo erg dat je de mensen uit elkaar drijft." Hij geeft als voorbeeld de probleemjongeren. Die zijn van alle tijden, maar juist nu worden ze neergezet alsof het een groep is die van Mars komt. Brammerloo: "Zo krijg je geen aansluiting, maar juist scheiding. Dat is fnuikend voor de gemeenschapszin en het gevoel er met zín allen (jong en oud) iets aan de problemen te kunnen doen."
Henca Maduro sluit zich hier bij aan. Zij werkt met jongeren en richt zich niet op afkomst, buurt of wijk, maar op hun interesse, en wel: hip-hop/urban. Maduro: "Die leefstijl bindt deze jongeren. Of ze nou Turkse, Marokkaanse, Nederlandse of Antilliaanse ouders hebben, deze leefstijl hebben ze gemeenschappelijks." Etnische achtergrond, zegt ze, komt op de tweede plaats. De overeenkomsten worden benadrukt. Maduro: "Zeker, er zijn problemen in Nederland, maar die worden ook steevast benadrukt. Als vaker de positieve activiteiten van jongeren worden getoond, ontstaat een ander beeld. Jongeren die bij ons binnenkomen voelen zich al direct gestigmatiseerd en hebben het gevoel nergens welkom te zijn."
Ehab El Amam, voorzitter van een Islamitische Studentenvereniging, wil graag reageren op de bezwaren van Van den Brink dat sterke gemeenschapszin bij migranten integratie en het hebben van gedeelde belangen in de weg zou staan. El Amam: "Van die gemeenschapszin zouden autochtonen juist iets kunnen leren. Bij Nederlanders ontstaat gemeenschapszin pas als zij zich bedreigd voelen." 
Hij noemt de moord op Theo van Gogh als voorbeeld. El Amam: "Het negatieve mobiliseert hen. Terwijl migranten die gemeenschapszin van naturen hebben. Het begint thuis en in de buurt. Neem de zorg voor ouderen. Hier worden die weggestopt in tehuizen. Wij nemen ze in huis!" Hij vindt het onterecht dat deze gemeenschapszin door Van den Brink als afkeurenswaardig wordt beschouwd.
Van den Brink: "Maar de samenleving is veranderd. We kunnen niet terugkeren naar zo'n ouderwetse dorpse samenleving." Van den Brink onderschrijft dat er nadelen aan de moderne samenleving kleven ('zeker, het is niet perfect'), maar terugkeren naar vroeger is onmogelijk en onwenselijk. Van den Brink: "In de huidige samenleving kun je je ontplooien, heb je meer vrijheid en zijn de beklemmende banden doorgesneden."
Maar Van den Brink ligt onder vuur. Brammerloo: "Waarom haalt u dat dorp aan?"
Van den Brink: "Tijden veranderen. Je kunt de moderne ontwikkelingen van globalisering en individualisering niet tegenhouden. Dat dorp bestaat niet meer. Die gemeenschap is opengebroken."
El Amam wil weten wat 'modern' is. Van den Brink: "Modernisering is een proces. De Franse Revolutie introduceerde gelijkheid. De democratisering van kunst en onderwijs kwam in de jaren zestig op gang. Dat zijn ontwikkelingen die ons gevormd hebben tot mensen die zelfstandig opereren, in principe gelijkwaardig zijn, verantwoordelijkheid dragen voor hun eigen daden en zich betrokken voelen met elkaar." Het ideaal van El Amam is voor Van den Brink welhaast het tegenover gestelde: "In zo'n hechte gemeenschap is het individu ondergeschikt aan de groep, wordt traditie boven vernieuwing en nieuwsgierigheid geplaatst."
El Amam: "Goed, het paard heeft plaatsgemaakt voor de auto, maar in wezen is er niks veranderd aan de mens zelf. De omstandigheden, ja die zijn veranderd." De dorpse gemeenschapszin die hij zo koestert past volgens hem dus wel degelijk in de huidige Nederlandse samenleving. El Amam: "Want was is dat eigenlijk: de Nederlandse samenleving?"
Maduro wijst op een historisch gegeven: "Dat je nu getto's hebt (klein Turkije, klein Marokko) is niet omdat de mensen daar zelf om gevraagd hebben. De Nederlandse overheid heeft die wijken laten ontstaan. Dat was het begin van segregatie. Mensen hoefden zich niet meer aan te passen: Marokkaanse slager, bakker, vriendjes enz."
Uitermark, met een kanttekening: "In Nederland heb je geen getto's. Het is hier redelijk gemengd. In Amerika heb je zwarte wijken. Probleem is, daarin ben ik het met je eens, de eenzijdige aandacht voor problemen."
De gemeenschapszin staat dus onder druk omdat die ofwel bij sommige geÔndividualiseerde bevolkingsgroepen ontbreekt, ofwel omdat die binnen andere (migranten)groepen heel sterk leeft. Schillemans: "En dan ook nog op verschillende niveaus. Wel thuis, niet op straat bijvoorbeeld."
Van den Brink: "Je voelt je betrokken bij meerdere kringen. Die kunnen door elkaar lopen: micro-, midden- en hoogniveau. Het hoogste niveau is burgerschap, je Nederlanderschap. Hierbij hoef je het niet over alles met elkaar eens te zijn, maar je gaat wel op een fatsoenlijke manier met elkaar om. Dat domein is verslonst." Hij vindt een etnische identiteit dus geen probleem, maar in het publieke domein moet een andere (namelijk: de Nederlandse) gemeenschapszin gelden. Van den Brink: "Als op straat verschillende identiteiten gaan botsen, krijg je problemen."

De discussie komt op de recente gemeenteraadsverkiezingen verkiezingen. Duidde de uitslag op een tweedeling tussen de autochtone Rotterdammers en de allochtone Rotterdammers? Is gemeenschapszin met zulke uiteenlopende politieke voorkeuren wel mogelijk? Brammerloo: "Men heeft zich daarbij uitgesproken. We vragen aan burgers hun mening. Die hebben ze gegeven. Het is toch geen probleem dat er mensen op Leefbaar Rotterdam kiezen. Kennelijk spreekt deze manier van politiek deze mensen aan. Daarbij wil ik opmerken dat dat niet anti-buitenlandse stemmers zijn. Dat is een misverstand. Een andere groep koos voor de PvdA. Dat zijn politieke tegenstellingen. We hoeven het toch niet over alles eens te zijn. Je kan het in een samenleving nooit volledig met elkaar eens zijn. We moeten nu niet bang zijn voor scheuren in de samenleving."
Van den Brink: "Deze uitslag is een stap in de moderne richting. De politiek is nu fris en open. Mensen zeggen wat ze vinden. Daar moet je niks achter zoeken."
Maar vormt de sterke gemeenschapszin bij migranten onderling nu wel of niet een probleem voor de gemeenschapszin voor een bredere groep? Uitermark: "Het kan zeker een belemmering zijn. In een moeder-kind centrum in Amsterdam-West leren die Turkse en Marokkaanse vrouwen Nederlands en leren ze ook voor zichzelf opkomen. De eerste tegen wie ze opkomen is hun man, daarna hun familie. Dus die sterke banden thuis, kunnen verbondenheid met de overige omgeving in de weg staan. Maar tegelijkertijd zitten ze daar wel. Hun man weet ervan. Voor emancipatie kan een veilige, vertrouwde omgeving beter werken. Waar het om draait is dat je een keuzemogelijkheid hebt. Nu keert men zich of af of wordt je gedwongen ergens aan deel te nemen." Uitermark wijst er op dat dit trouwens geen etnische, maar familiale verbondenheid betreft.
Schillemans: "Is de groepsfactor een belemmering voor een grotere gemeenschapszin? Het is problematisch als de verbondenheid ook samenhangt met een sociaal economische factor. Het gaat een belemmering vormen zodra het je maatschappelijk tegenzit."
Uitermark: "Die vrouwen in het moeder-kind centrum krijgen hu de kans om zich los te maken. Ze willen wel aansluiting zoeken, maar het kon niet door de druk van de eigen gemeenschap."
Schillemans geeft nadere uitleg: "De maatschappelijke emancipatie van oude gastarbeiders is erg langzaam gegaan en dorpscohesie bij hen werd alleen maar sterker doordat maatschappelijke vooruitgang uitbleef. Van de klassieke immigratiegroepen geldt een blijvende achterstand en dat kan een onaangenaam verbond aangaan met die vlucht naar binnen."
Van den Brink: "In islamitische gezinnen zijn vrouwen ondergeschikt en is soms nog sprake van uithuwelijken. Daar geldt door die culturele achtergrond een grote mate van onvrijheid. Er zijn wel degelijk culturele tradities die een sterk contrast vormen met de nieuwe samenleving waarin ze terecht komen. Dat is een belemmering."
El Amam: "Volgens de Islam mag uithuwelijken niet. Gebeurt het wel, dan belemmert dat."
Maduro: "Jongeren nemen hun etnische achtergrond mee, dat hoor je ook in de straattaal. Dat is een mengelmoes. Het verrijkt hen juist. Jongeren van nu groeien al samen op. Maar daarnaast is er ook een groep - van een andere generatie - die heel erg gericht is op de eigen groep."
De voorzitter van de Rotterdamse Jongerenraad (in de zaal aanwezig) wijst er echter op dat veel jongeren wel tussen twee culturen leven: die van thuis en die van de straat.
Het brengt El Amam op het volgende punt: "De belemmering komt ook van de anderen. Vooroordelen. Buitenlandse kinderen krijgen op school geen advies voor VWO bijvoorbeeld."
Schillemans: "Vooroordelen spelen zeker een rol, maar het kan ook anders werken: een advies voor VWO, omdat de potentie erin zit. Maar dan blijkt er toch een taalprobleem op te spelen. Gevolg: schooluitval."
School en educatie blijken belangrijke zaken zodra er naar oplossingen gevraagd wordt die meer gemeenschapszin moeten bewerkstelligen. De jongeren vormen het toekomstig kapitaal voor de stad, klinkt het, en juist bij hen (of beter: ook bij hen) leeft het probleem van de geringe betrokkenheid of het leeft het gevoel 'uitgekotst' te worden door de samenleving. Van den Brink: "Er ligt ook een taak bij de samenleving. Het bedrijfsleven moet meer allochtonen een kans bieden. Er moet meer geld komen voor onderwijs. Ook op scholen kunnen jongeren leren wat 'de Nederlandse samenleving' is. Welke normen en waarden hier gelden."
Schillemans: "Oplossingen om gemeenschapszin te bevorderen is verschillen wegnemen. De sociaal economische achterstand bij migranten moet weggewerkt worden en dat gebeurt door betere educatie. Ook moeten de projecten die in wijken worden georganiseerd gebeuren op basis van gemeenschappelijke interesses en niet eenmalig plaatsvinden." Dus geen straatbarbecues.
Uitermark: "Maar die multiculturele barbecues zijn juist goed. Het is een laagdrempelig niveau en juist daarom werkt het. Het kan het begin zijn van meer deelname aan de samenleving."
El Amam ziet veel heil in het wegwerken van sociaal economische achterstanden van migranten. "Pak het van bovenaf aan en verplicht bedrijven om migranten aan te nemen."
Brammerloo: "We moeten blijven zoeken naar gemeenschappelijkheid. Daarbij speelt goed onderwijs een grote rol en moeten er genoeg arbeidsplaatsen zijn. We moeten kijken naar kwaliteit en niet naar afkomst."
Maduro: "Er zit veel talent onder de jongeren, maar dat moet je wel waarderen. Investeer in scholing van die kwaliteiten, zodat ze zich kunnen ontplooien."

Ferry Wieringa

© Overname van dit verslag - ook gedeeltelijk - alleen met toestemming van de auteur of de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur.

de thermometer is een debatserie waarin de temperatuur van het maatschappelijk klimaat in stad en land wordt gemeten. Gekeken wordt naar de praktische bruikbaarheid van politieke ideeŽn en theorieŽn. 
de thermometer
is een samenwerkingsverband van het Landelijk Bureau ter Bestrijding van Rassendiscriminatie (LBR), de Stedelijke Adviescommissie Multiculturele Stad (SAMS), Studium Generale Erasmus Universiteit en de Rotterdamse Kunststichting (RKS).